header Gjallar, Noormannen in de Lage Landen

   SCHRIFTELIJKE BRONNEN

EGILS SGU (DE SAGA VAN EGIL)

Beslaat: midden 10de eeuw (c. 956)
Geschreven: rond 1230
Auteur: Anonieme IJslandse schrijver, mogelijk Snorri Sturluson
Gedrukte uitgave: Sigurur Nordal, Egils saga Skalla-Grimssonar (Reykjavik 1933), 70. kafli
Engelse vertaling waarop de Nederlandse vertaling gebaseerd is: Green, W.C., The story of Egil Skallagrimsson (1893).

Arinbjrn og Egill fara vking til Frisland
Arinbjrn var enna vetur heima a bum snum, en eftir um vori lsti hann yfir v, a hann tlar a fara vking. Arinbjrn hafi skipakost gan; bj hann um vori rj langskip og ll str; hann hafi rj hundru manna; hafi hann hskarla skipi snu, og var a allvel skipa; hann hafi og marga bndasonu me sr. Egill rst til farar me honum; stri hann skipi, og fr me honum margt af fruneyti v, er hann hafi haft me sr af slandi. En kaupskip a, er Egill hafi haft af slandi, lt hann flytja austur Vk; fkk hann ar manna til a fara me varna sinn. En eir Arinbjrn og Egill hldu langskipunum suur me landi; san stefndu eir liinu suur til Saxlands og herjuu ar um sumari og fengu sr f; en er hausta tk, hldu eir norur aftur og lgu vi Frsland.
Einhverja ntt, er veur var kyrrt, lgu eir upp mu eina, ar er illt var til hafna og tfiri mikil; ar voru land upp slttur miklar og skammt til skgar; ar voru vellir blautir, v a regn hfu veri mikil. ar ru eir til uppgngu og ltu eftir rijung lis a gta skipa; eir gengu upp me nni, milli og skgarins; var brtt fyrir eim orp eitt, og byggu ar margir bndur; lii rann r orpinu landi, ar er mtti, egar er vart var vi herinn, en vkingar sttu eftir eim. Var san anna orp og hi rija. Lii fli allt a, er v kom vi. ar var jafnlendi og slttur miklar; dki voru skorin va um landi og st vatn. Hfu eir lukt um akra sna og eng, en sumum stum voru settir staurar strir yfir dkin, ar er fara skyldi; voru brar og lagir yfir viir. Landsflki fli mrkina. En er vkingar voru komnir langt byggina, sfnuust Frsir saman skginum, og er eir hfu aukin rj hundru manna, stefna eir mti vkingum og ra til orustu vi . Var ar harur bardagi, en svo lauk, a Frsir flu, en vkingar rku flttann; dreifist bjarlii vs vegar, a er undan fr; geru eir og svo, er eftir fru; kom svo, a fir fru hvorir saman.
Egill stti hart eftir eim og fir menn me honum, en mjg margir fru undan; komu Frsir ar a, er dki var fyrir eim, og fru ar yfir; san tku eir af bryggjuna. koma eir Egill a rum megin. R Egill egar til og hljp yfir dki, en a var ekki annarra manna hlaup, enda r og engi til. Og er Frsir su a, skja eir a honum, en hann varist; sttu a honum ellefu menn, en svo lauk eirra viskiptum, a hann felldi alla. Eftir a skaut Egill yfir brnni og fr aftur yfir dki; s hann , a li eirra allt hafi sni til skipanna; hann var staddur nr skginum; san fr Egill fram me skginum og svo til skipanna, a hann tti kost skgarins, ef hann yrfti. Vkingar hfu haft miki herfang ofan og strandhgg, og er eir komu til skipanna, hjuggu sumir bf, sumir fluttu t skipin fn eirra, sumir stu fyrir ofan skjaldborg, v a Frsir voru ofan komnir og hfu miki li og skutu ; hfu Frsir ara fylking. Og er Egill kom ofan og hann s, hva ttt var, rann hann a sem snarast, ar sem mginn st; hafi hann kesjuna fyrir sr og tk hana tveimur hndum, en kastai skildinum bak sr. Hann lagi fram kesjunni, og stkk fr allt, a er fyrir st, og gafst honum svo rm fram gegnum fylkinguna; stti hann svo ofan til manna sinna; ttust eir hafa hann r helju heimtan. Ganga eir san skip sn og hldu brott fr landi; sigldu eir til Danmerkur.
Arinbjrn en Egil gaan op vikingtocht naar Frisia
Arinbjorn bleef die winter thuis, maar in de lente kwam hij met het plan om een vikingtocht te ondernemen. Arinbjorn had goede schepen. Hij rustte in de lente drie grote langschepen uit, en hij had driehonderd (*) man. Op zijn eigen schip, dat uitstekend was uitgerust, had hij zijn eigen gevolg; hij nam ook veel boerenzonen mee. Egil maakte zich op om met hem mee te gaan; hij had het bevel over een schip en er gingen veel van zijn kameraden mee, die met hem van IJsland waren gekomen. Maar het handelsschip, dat hij uit IJsland had meegenomen, liet hij naar het oosten, naar Vik (**) brengen, zodat enige mannen daar de lading konden slijten. Arinbjorn en Egil voeren met hun langschepen zuidwaarts langs de kust; en gingen met hun mannen nog zuidelijker, naar Saksen, waar ze gedurende de zomer roofden en buit behaalden. Toen het herfst werd voeren ze weer noordwaarts en ze lagen voor anker voor Frisia.
Op een nacht, toen het rustig weer was, voeren ze een grote riviermonding op, waar het moeilijk was om af te meren, en het getijdengebied groot was. Daar op het land waren grote vlakten met nabij gelegen bossen; de velden waren doorweekt, want het had veel geregend. Ze besloten daar aan land te gaan en ze lieten een derde van de bemanning achter om de schepen te bewaken. Ze volgden de rivier, tussen de rivier en de bossen in blijvend. Al snel kwamen ze bij een dorp, waar verschillende boeren woonden. Zo gauw ze de vijand in de gaten kregen vluchtten de mensen het dorp uit, de velden in, waarheen ze konden, maar de vikingen achtervolgden hen. Daarop kwamen ze bij een ander dorp, en een derde; en alle mensen vluchtten voor hen weg. Het land was vlak, overal waren vlakke velden, doorsneden door sloten waarin water stond, waarmee hun akkers en weiden omgeven waren, om deze te gemarkeren. En over de sloot, op plaatsen waar men moest passeren, waren bruggen met planken bedekt. Het landvolk vluchtte het bos in. Maar toen de vikingen ver in hun nederzettingen waren doorgedrongen, verzamelden de Friezen zich in de bossen, en toen ze driehonderd (***) man bijeen hadden, trokken ze op tegen de vikingen om met hen slag te leveren. Er ontstond een heftig gevecht; maar aan uiteindelijk vluchtten de Friezen en de vikingen achtervolgden de vluchtenden. De boeren die ontsnapten verspreidden zich in alle richtingen, en dat deden ook hun achtervolgers. Daardoor gebeurde het dat er maar weinigen bijeen bleven.
Egil, en enigen met hem, waren druk bezig een talrijke groep vluchtenden te achtervolgen. Toen kwamen de Friezen bij een sloot, die ze passeerden, waarna ze de brug terugtrokken. Daarop kwamen Egil en zijn mannen aan de overkant. Meteen ging Egil naar de sloot en sprong er overheen, maar dat was geen sprong die de anderen hem konden nadoen, en niemand probeerde het. Zo gauw de Friezen merkten, dat slechts n man hen achterna kwam, keerden ze terug en vielen hem aan. Maar hij verdedigde zich goed, en gebruikte de sloot als rugdekking, zodat ze hem niet van alle kanten konden aanvallen. Elf man bevochten hem, maar uiteindelijk versloeg hij hen allemaal. Daarna schoof Egil de brug weer over de sloot en keerde naar de andere oever terug. Dan zag hij dat al zijn mannen naar de schepen waren teruggekeerd. Hij was toen nabij het bos, en hij ging nu langs het bos naar de schepen, zodat hij zich in het bos kon terugtrekken als hij zich zou moeten schuilhouden. De vikingen hadden veel buit en vee naar de kust gesleept. En toen ze bij de schepen kwamen, slachtten sommigen het vee, terwijl anderen de buit in de schepen droegen. Sommigen stelden zich hoger op en vormden een verdedigingsmuur met hun schilden; want de Friezen waren met een grote macht afgedaald en schoten op hen. Ze hadden zich ook in slagorde opgesteld. En toen Egil naar beneden kwam en zag hoe de zaken ervoor stonden, rende hij in volle vaart naar de menigte. Hij stak zijn met beide handen vastgehouden lans voor zich uit en slingerde het schild op zijn rug. Hij stootte zijn lans vooruit, en een ieder, die voor hem stond, deinsde terug, en zo verkreeg hij een doorgang door hun gelederen. Op deze manier stormde hij naar zijn mannen, die naar hem keken als ware hij uit de doden opgestaan. Daarop gingen ze aan boord en staken van wal. Vervolgens zeilden ze naar Denemarken.
(*) of: driehonderd en zestig
(**) Oslofjord
(***) of: driehonderd en zestig

begin van deze pagina
terug naar het overzicht bronnen
startpagina